• Lars de Bie

De eerste opsteker in tijden voor grote platforms

Op deze nieuwswebsite is al meermaals de verantwoordelijkheid van Youtube als groot platform aan bod gekomen. Na lang wachten heeft de Europese hoogste rechter afgelopen juni uitspraak gedaan in de Youtube/Cyando zaak. In dit blog zal het arrest worden samengevat. Daarnaast zal kort worden ingegaan op de implicaties die dit arrest heeft voor de praktijk.


Wat speelde er?

Gezien de situatie al uitvoerig is besproken in twee eerdere blogs zal ik hier volstaan met het kort schetsen van de omstandigheden die tot de zaak hebben geleid.


YouTube en Cyando bezitten beiden platformen waarop gebruikers zelf dingen kunnen uploaden. Youtube zal voor het overgrote deel van de lezers wel bekend zijn. Cyando daarentegen is een stuk minder bekend. Cyando is de exploitant van de website ‘Uploaded’, wat vergelijkbaar is met Google Drive en Microsoft’s Onedrive.


Beide platformen hebben ook (veelvuldig) te maken met auteursrechtelijk beschermde content die onrechtmatig door gebruikers wordt geupload. De rechthebbenden hebben zich in de onderhavige zaak gewend tot de (Duitse) rechter om Youtube en Cyando te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding. Omdat onduidelijk was of Youtube en Cyando zelf ook het auteursrecht hebben geschonden, is deze vraag voorgelegd aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU).


Wat staat er in de wet?

Het gaat in deze zaak vooral om de vraag of Youtube en Cyando een “mededeling aan het publiek” hebben gedaan in de zin van de auteursrechtrichtlijn. In het Nederlandse recht is de bepaling die openbaarmaking voor niet-rechthebbenden verbiedt in artikel 12 van de Auteurswet vastgelegd. Als het Hof aanneemt dat er sprake is een mededeling aan het publiek, betekent dit dat het platform zelf aansprakelijk zou zijn en hoe dan ook geen beroep kan doen op de hieronder genoemde vrijwaringsbepaling.


Ook beantwoordt het HvJ EU de vraag of er bij platformen sprake is van kennis van de onwettige activiteit of informatie in de zin van art. 14 van de E-commerce richtlijn (zie ook art. 6:196c lid 4 Burgerlijk Wetboek). Dit is van belang omdat platformen (ook) aansprakelijk zijn voor content die door gebruikers is geüpload, wanneer zij illegale content niet snel genoeg verwijderen nadat zij hier lucht van hebben gekregen.


Wat vond de rechter er van?

Allereerst de vraag of platforms zelfstandig een mededeling aan het publiek maken. Om te kunnen spreken van een mededeling aan het publiek is volgens het Hof vereist dat er een mededeling van een auteursrechtelijk beschermd werk wordt gedaan en dat deze mededeling aan een nieuw publiek wordt gedaan. Voor de juristen zal het geen verrassing zijn dat het afhangt van de omstandigheden van het geval wanneer hier sprake van is.


Aangezien het in principe de gebruikers van de platforms zijn die de inbreukmakende content uploaden, zou het onredelijk zijn als de platforms daarvoor ook per definitie aansprakelijk voor zouden zijn. Dit is juist niet de bedoeling van de auteursrechtrichtlijn. Het Hof acht het dan ook redelijk dat er moet worden gekeken naar wat het platform doet met de content vanaf het moment van uploaden tot aan het moment dat de andere gebruikers het zien op hun apparaat. Zo kan je bijvoorbeeld denken aan de Pirate Bay, die vooral bestaat om illegale content op een gemakkelijke manier uit te wisselen en waarbij de beheerders ook weet hebben van het illegale karakter van de content. In dat geval wordt hen dat aangerekend. Dit heeft het Hof ook in een eerdere zaak bevestigd.


Ook kan van belang zijn in hoeverre het platform maatregelen heeft genomen om illegale content te weren. Denk bijvoorbeeld aan Content ID, het systeem dat Youtube gebruikt om te checken of er auteursrechtelijk beschermd materiaal in een geüploade video aanwezig is.


Verder gaat het Hof in op de vraag of platforms zich kunnen beroepen op de vrijwaringsbepaling uit art. 14 van de E-commercerichtlijn. Deze bepaling riep het “Good Samaritan” probleem in het leven, wat inhield dat men aannam dat platforms eerder aansprakelijk zouden zijn, wanneer zij zelf actief probeerde om illegale content te verwijderen. Het Hof heeft met deze gedachtegang echter korte metten gemaakt in deze uitspraak. Volgens het Hof is het enkele feit dat een platform actief modereert en maatregelen treft om illegale content te detecteren niet voldoende om aan te nemen dat het platform alle illegale content had moeten verwijderen.


Het Hof loopt op dit punt vooruit op het voorstel van de Europese Commissie voor de Digital Services Act. In artikel 6 van dit voorstel staat ook uitdrukkelijk vastgelegd dat het vrijwillig modereren van content en het weghalen van illegale dingen niet automatisch aansprakelijkheid inhoudt.


Afsluiting

In dit blog stond de zaak YouTube/Cyando centraal. Omdat grote platforms een belangrijke rol krijgen toebedeeld om tijdens de Coronacrisis fake news van hun platforms te weren, is dit ook weer een actueel onderwerp. Vele medewerkers van deze platforms zijn hier dagelijks mee bezig en de wetgever lijkt steeds meer taken bij hen neer te leggen. Deze platforms zullen hoogstwaarschijnlijk dan ook tevreden zijn met de uitspraak van het HvJ EU. Door de uitspraak lopen ze immers minder risico om aansprakelijk gesteld te worden voor wat hun gebruikers plaatsen. Mochten er onverhoopts toch wat dingen doorheen schieten, dan loopt deze kostenpost in ieder geval niet op in de miljoenen.