• Annemijn Witkam

Krijg geld terug van Airbnb!

In het kort:

  • De rechtbank Amsterdam heeft geoordeeld dat Airbnb geen servicekosten mag rekenen aan huurders. Airbnb kan hier niet tegen in beroep gaan.

  • Heeft u in de afgelopen drie jaar als Nederlandse huurder via Airbnb gehuurd? Dan kunt u uw servicekosten terugvorderen bij Airbnb.

  • Op de website www.dienenvantweeheren.nl kunt u twee dingen vinden:

- Een gratis voorbeeldbrief die u zelf kan invullen om de servicekosten

terug te vorderen.

- Juridische hulpverlening bij het terugvorderen van de servicekosten

tegen een vergoeding van 30%.


Afgelopen januari schreef ik over hoe de strijd tussen Airbnb en gemeente Amsterdam een nadelige wending had gekregen voor de gemeente. Twee weken geleden deelde Amsterdam echter een klap uit. De rechtbank Amsterdam oordeelde dat Airbnb optreedt als bemiddelaar tussen huurders en verhuurders en dat het platform daarom geen servicekosten mag vragen aan huurders op grond van artikel 7:417 lid 4 BW. Het bedrag dat het platform van Nederlandse gebruikers (onrechtmatig) heeft geïnd aan servicekosten loopt immers op tot een geschatte waarde 200 miljoen euro. De media brandden uiteraard meteen los bij publicatie van deze uitspraak. Terecht gezien het bedrag. Het is daarbij echter wel zaak dat het journalistieke onderzoek in de zaak nauwkeurig gebeurt, aangezien de meeste Nederlanders niet elke gepubliceerde uitspraak zelf zullen lezen. Hier laten sommige journalisten helaas toch wat steekjes vallen. In deze bijdrage ga ik in op de uitspraak en poog ik een aantal misvattingen uit de media recht te zetten.


E-commercerichtlijn

Verzoeker in de zaak was een huurder op het Airbnb-platform en heeft tijdens zijn gebruik een bedrag van ongeveer € 470,00 aan servicekosten moeten betalen. Hij vordert de servicekosten die hij in de laatste drie jaar aan Airbnb heeft betaald terug. Hij stelt daartoe dat Airbnb hun platform exploiteert dat gericht is op het tot stand brengen van huurovereenkomsten tussen verhuurders van onroerend goed (of een gedeelte daarvan) en huurders. Het platform int de huursom bij de huurder voor de verhuurder. Verhuurders moeten daarvoor aan Airbnb bemiddelingskosten en huurders servicekosten betalen. Hij betoogt dat bij deze werkwijze van Airbnb sprake is van het dienen van twee heren. Dit is onrechtmatig op grond van artikel 7:417 lid 4 BW.


Airbnb voerde verweer door te stellen dat volgens de algemene voorwaarden Iers recht op haar van toepassing is en dat zij kwalificeert als online informatiedienst in de zin van de e-commercerichtlijn (hierna: informatiedienst). Dit betekent dat artikel 3 van deze richtlijn van toepassing is. Deze bepaalt dat de informatiedienst niet onderworpen kan worden aan restrictieve nationale wetgeving, zoals artikel 7:417 lid 4 BW. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) besloot afgelopen december in een prejudiciële beslissing dat Airbnb inderdaad kwalificeert als een informatiedienst. Hierdoor leek dit verweer een grote kans van slagen te hebben.


Slimme rechter

De Amsterdamse rechter heeft daar echter een andere mening over en voert overtuigend aan waarom zij niet meegaat in het verweer van Airbnb. Het feit dat Airbnb kwalificeert als informatiedienst staat vast. Dat Iers recht in beginsel van toepassing is op Airbnb wordt ook niet over getwijfeld. Hiermee leek Airbnb zichzelf slim ingedekt te hebben. De rechtbank vond echter het ei van Columbus in dezelfde algemene voorwaarden waarin ook staat dat op Airbnb het Ierse recht van toepassing is. Het gaat daarbij om de volgende bepaling:


“These Terms are governed by and construed in accordance with Irish law. If you are acting as a consumer and if mandatory statutory consumer protection regulations in your country of residence contain provisions that are more beneficial for you, such provisions shall apply irrespective of the choice of Irish law. (…)”


Airbnb legt in deze bepaling de rechtskeuze in handen van de consument. Dat artikel 7:417 lid 4 BW voordeliger uitpakt voor verzoeker (de consument) is duidelijk: het bespaart hem namelijk kosten. Het platform laat dus zelf deze begunstigende rechtskeuze aan de consument. Hierdoor is het laten gelden van artikel 7:417 lid 4 BW in deze zaak niet strijdig met de e-commercerichtlijn.


Onnauwkeurige media

Er verschenen natuurlijk diverse artikelen over deze belangrijke uitspraak, waarmee de media de maatschappij goed hebben geïnformeerd. Elke Nederlander die Airbnb in de laatste drie jaar als huurder gebruikt heeft, kan immers servicekosten terugvorderen. De artikelen lieten echter ook zien hoe onnauwkeurig sommige journalisten hun onderzoek verrichten. Zo zou volgens het NRC de rechtbank hebben geoordeeld dat Airbnb meer is dan een informatiedienst. Hiermee zou de Amsterdamse rechter niet meegaan met de eerdere prejudiciële beslissing van het Hof. Dit is in strijd met het geldende recht en zou daarmee grote gevolgen hebben voor de uitspraak. In cassatie zou deze immers kunnen worden vernietigd. Desalniettemin, zoals ik eerder al aangaf en ook letterlijk in de uitspraak staat, betwisten noch partijen, noch de rechter dat Airbnb kwalificeert als informatiedienst.


Verder menen ook meerdere media - waaronder populaire kranten De Volkskrant en het NRC - dat Airbnb in hoger beroep zou (kunnen) gaan. Dit brengt twijfels met zich mee of Nederlanders daadwerkelijk hun servicekosten terug zouden mogen vorderen. Wat Arnoud Engelfriet terecht opmerkt in zijn blog, is het bedrag waar het in de uitspraak om draait veel te laag voor hoger beroep - de appelgrens ligt namelijk op € 1.750. Toch hadden niet alle mediaorganisaties het mis. De NOS had haar onderzoek wel accuraat verricht. Ik hoop dat De Volkskrant en het NRC hun artikelen aanpassen naar de bovengenoemde feiten.