• Danielle Molenkamp

Facebook als de grote hedendaagse klikspaan

Nu de rol van online platformen in onze samenleving alsmaar toeneemt, is het vanzelfsprekend dat zij vaker worden aangesproken wanneer hun medium wordt gebruikt voor inbreukmakende activiteiten. Zo hebben we al eerder gezien dat Facebook aansprakelijk werd gesteld voor het tonen van Bitcoin advertenties waarmee onterecht bekende Nederlanders werden geassocieerd. Onlangs heeft de rechtbank Den Haag - in vervolg op het vonnis van de voorzieningenrechter - uitspraak gedaan in een soortgelijke zaak. In plaats van bekende Nederlanders hadden de advertenties in dit geval betrekking op inbreukmakende producten van Tommy Hilfiger.


Advertenties op Facebook


De advertenties, die al sinds 2017 op Facebook te zien zijn, verwijzen naar websites waar namaakproducten van Tommy Hilfiger worden verkocht. In de advertenties wordt gebruik gemaakt van beeldmateriaal dat identiek is aan het beeldmateriaal dat PVH - het bedrijf dat Tommy Hilfiger exploiteert - gebruikt op hun website en advertenties. Daarnaast wordt met de advertenties inbreuk gemaakt op de woord- en beeldmerken van PVH, waaronder de bekende Tommy Hilfiger vlag.


Voordat advertenties op Facebook te zien zijn, worden ze gecontroleerd om ervoor te zorgen dat ze voldoen aan de advertentierichtlijnen. Hierbij wordt gekeken naar de afbeeldingen, tekst, doelgroep, positionering van de advertentie en de inhoud van de landingspagina van de advertentie. De advertentie komt niet door het controleproces als de inhoud van de landingspagina[1] niet volledig werkt, de landingspagina niet overeenkomt met het product dat in de advertentie wordt aangeboden of niet volledig voldoet aan de advertentierichtlijnen.


Door vooraf te controleren wat op Facebook wordt geplaatst, speelt zij een actieve rol en kan geëist worden dat zij passende maatregelen treft om stelselmatige inbreuk op rechten van derden zoveel mogelijk te voorkomen. Nu de nep-advertenties van Tommy Hilfiger toch op Facebook zijn verschenen, heeft de voorzieningenrechter eerder in 2018 geoordeeld dat de maatregelen onvoldoende effectief zijn. Dit betekent overigens niet dat Facebook zelf als inbreukmaker moet worden aangemerkt; zij kan enkel worden aangesproken op grond van een onrechtmatige daad.


Kort geding procedure


Nadat PVH Facebook heeft gewezen op de inbreukmakende advertenties, heeft Facebook op verzoek van PVH zogenoemde ‘identifiers’ verstrekt en de advertenties verwijderd. Aangezien PVH niet veel kan met deze ID-nummers, vordert zij vervolgens de NAW-gegevens van de adverteerders die de inbreukmakende advertenties hebben geplaatst. Hier gaat Facebook echter niet mee akkoord, maar moet hier volgens de voorzieningenrechter alsnog aan voldoen. Het gaat hier immers niet om particulieren maar om adverteerders die bedrijfsmatig inbreuk maken en er bestaan voor PVH geen minder ingrijpende manieren om de inbreukmakers te identificeren.


Bodemprocedure


Naast de inbreukmakende advertenties op Facebook blijkt ten tijde van de bodemprocedure dat er ook Instagram accounts zijn aangemaakt waarbij de gebruikers van die accounts de namaakproducten promoten. Vanwege deze en de al eerder gepleegde inbreuken is PVH van mening dat Facebook - nu Instagram onder Facebook valt - zelfstandig inbreuk pleegt op de rechten van PVH. Nu zij welbewust toegang verschaft tot de inbreukmakende werken, kan het aangemerkt worden als een mededeling in de zin van artikel 3 lid 1 Auteursrechtrichtlijn.


De rechtbank is het hier niet mee eens. De adverteerder is namelijk degene die de inhoud aan derden meedeelt, het medium van Facebook wordt alleen gebruikt om dat mogelijk te maken. Bovendien zou Facebook op voorhand geen wetenschap hebben van de inbreuk, zij hanteert zelfs een controle om dit te voorkomen.


Voorts heeft PVH gesteld dat Facebook een wanprestatie pleegt door de mondelinge afspraak met betrekking tot het plaatsen van advertenties niet na te komen. Alhoewel er geen afspraken zijn gemaakt over de bestrijding van namaak of fraude, moet dit er wel onder begrepen vallen op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. De rechtbank is echter van mening dat deze aanvullende werking niet strekt tot de advertenties van derden. Al zou dit wel het geval zijn, dan is het controleproces van Facebook voldoende. Er kan aldus niet gesproken worden van een wanprestatie.


Ten slotte staat nog de vraag centraal of Facebook onrechtmatig handelt door niet de NAW-gegevens van de adverteerders te verstrekken. Op grond van de criteria uit het arrest Lycos/Pessers - wat grotendeels neerkomt op een afweging van belangen - oordeelt de rechtbank dat dit het geval is en beveelt Facebook de gegevens te verstrekken. Daarnaast wordt een filterverplichting opgelegd en beveelt de rechtbank dat Facebook de diensten als tussenpersoon bij het plaatsen van advertenties op haar platform voor namaakproducten van Tommy Hilfiger te staken en gestaakt te houden.



[1] De landingspagina is de webpagina waarnaar in de advertentie wordt verwezen.