• Hèlen Haaijer

De nieuwe Auteurswet deel 1: Gefilterde koffie is toch ook niet lekker?

Het kan weinigen zijn ontgaan: Na een lang en intensief lobby- en wetgevingstraject is op 17 april 2019 de nieuwe Europese DSM-Richtlijn aangenomen. De EU-lidstaten moesten deze nieuwe Europese wetgeving uiterlijk 7 juni omzetten in hun eigen wetgeving. Daarom geldt in Nederland vanaf 7 juni de nieuwe Auteurswet. In deze blog leg ik de belangrijkste wijziging uit.

Aanleiding voor het invoeren van nieuwe Europese wetgeving omtrent het auteursrecht is de snelle digitalisering van informatiestromen die men tegenwoordig kent. De nieuwe typen van communicatie (computernetwerken) en van informatiedragers (de nieuwe media en multimediale producten) kennen geen grenzen en ‘access for all’ is tegenwoordig het moderne credo. Dit heeft echter tot gevolg dat er continu auteursrechtelijk beschermde werken worden gedeeld op online platforms zoals Youtube en Facebook terwijl hier geen toestemming voor is gegeven. Auteurs moeten machteloos toezien hoe hun creatieve werken tentoon worden gesteld aan de hele wereld via online platforms, zonder dat zij hiervoor financieel gecompenseerd worden.

Het doel van de nieuwe regelgeving rondom het auteursrecht is tweeledig. Ten eerste moeten de nieuwe regels de verschillen tussen EU-landen kleiner maken en het auteursrecht beter laten aansluiten bij het toenemende digitale gebruik van beschermd materiaal. Daarnaast heeft de nieuwe regelgeving het doel om auteursrechthebbenden een passende en rechtvaardige vergoeding te geven voor het gebruik van hun creatieve werken of andere materialen. Het moet ervoor zorgen dat auteursrechthebbenden (zogeheten ‘makers’) een betere onderhandelingspositie krijgen wat uiteindelijk resulteert in een beter functionerende markt voor auteursrechtelijk beschermd materiaal.

De belangrijkste wijziging van het auteursrecht is te vinden in artikel 29c van de nieuwe Auteurswet. Dit artikel bepaalt dat ‘platformaanbieders’ vooraf toestemming moeten hebben van de auteursrechthebbenden, bijvoorbeeld via een licentie, om hun werken te publiceren. Zonder deze voorafgaande toestemming plegen ze auteursrechtinbreuk. Dit artikel poogt het zogeheten ‘value gap’ te dichten. De gedachte achter de term ‘value gap’ is dat de grote techplatforms, zoals YouTube en Facebook, veel (advertentie)inkomsten genereren met auteursrechtelijk beschermde werken die door gebruikers zijn geplaatst terwijl de auteursrechthebbenden daar financieel te weinig van profiteren. De nieuwe regelgeving wil deze zogenoemde value gap dichten door de platforms te dwingen een deel van hun inkomsten te delen met de rechthebbenden of de content op hun platforms te filteren op auteursrechtelijk beschermde werken.

Grote online platformaanbieders kunnen niet weten en bijhouden wat hun gebruikers op hun platforms gaan publiceren omdat ze simpelweg te veel gebruikers hebben. Dit maakt het het vooraf regelen van licenties onmogelijk. Door de enorme hoeveelheid content die gebruikers voortdurend uploaden zal het in de praktijk ook niet te doen zijn om aan alle rechthebbenden toestemming te vragen.

Voor grote platformaanbieders gelden er daarom zogeheten inspanningsverplichtingen. Dit houdt in dat de platformaanbieders niet aansprakelijk zijn voor het auteursrechtinbreuk indien zij ‘alles in het werk hebben gesteld’ om toestemming te krijgen. Is die content er toch, dan kunnen ze aansprakelijkheid voorkomen door de content na een ontvangen melding meteen te verwijderen en te voorkomen dat er in de toekomst uploads plaatsvinden.

Het gevolg van de hierboven geschetste regels is dat er een duidelijke impuls voor platformaanbieders ontstaat om zoveel mogelijk maatregelen te nemen om bepaalde content, waarvoor om welke reden dan ook geen toestemming werd verkregen, preventief van hun platforms te weren om aansprakelijkheid te vermijden. Platformen zullen op ‘safe’ spelen en content waarvan niet zeker is of deze inbreuk op auteursrechten maakt alsnog blokkeren. De verwachting is dat zij dit zullen doen met zogeheten ‘uploadfilters’. Hier zitten nogal wat haken en ogen aan.

Deze uploadfilters blijken namelijk onvoldoende geavanceerd om op de juiste manier inhoud te filteren. De filtertechnologieën die op dit moment op de markt zijn, kunnen slechts concluderen dat de geüploade content overeenkomsten vertoont met het originele auteursrechtelijk beschermde materiaal. Hierbij wordt geen rekening gehouden met de context van het geüploade werk. Alle zes de aanbieders van dit soort uploadfilters beamen dan ook dat hun systemen niet kunnen bepalen of een geüpload werk binnen het bereik van een uitzondering of een beperking valt. Dit betekent dat gebruikers geen karikatuur, parodie of pastiche meer kunnen uploaden, omdat deze niet door het uploadfilter heen komt. Deze inherente beperking van de filtertechnologie wordt benadrukt in uitspraken van Facebook en Audible Magic.

De vraag blijft dus hoe de toepassing van artikel 29c Aw tot het ‘juiste evenwicht’ tussen de verschillende EU-grondrechten kan resulteren en hoe de ‘filterverplichting’ deze toets kan doorstaan. Wellicht zou de rechter artikel 29c Aw meer moeten interpreteren als een inspanningsverplichting in plaats van een resultaatsverplichting. Op deze manier kunnen platformen voorzichtig gaan experimenteren met uploadfilters waardoor het proces van auteursrechtbescherming langzaam kan uitbloeien tot een mooi systeem waarin auteurs worden gecompenseerd voor hun harde werk, zonder dat de vrijheid van meningsuiting te veel wordt gefilterd.