• Danielle Molenkamp

Wordt de privacy van verdachten daadwerkelijk beschermd door rechtbanktekeningen?

Dat alle technologische ontwikkelingen voor een toename in de behoefte aan privacy zorgen, is niet meer te ontkennen. Vanuit alle hoeken en gaten worden er nieuwe vraagstukken opgeworpen en bestaande regelingen in twijfel getrokken. Vooral op het gebied van de rechtspraak schieten de ‘privacy-paddenstoelen’ uit de grond. Denk bijvoorbeeld aan de mate waarop uitspraken geanonimiseerd worden of de stem van de Ruinerwold-verdachte die, ondanks een verbod van de rechter, werd opgenomen en uitgezonden op televisie. Een onderwerp waar naar mijn mening echter te weinig aandacht voor is, is de privacy van verdachten in verband met de zogenoemde rechtbanktekeningen.


Bescherming van de privacy door de Rechtspraak


In de Persrichtlijn van de Rechtspraak staat vermeld dat er geen beeldopnamen van verdachten mogen worden gemaakt. Dit om de privacy van verdachten te beschermen en tegemoet te komen aan de onschuldpresumptie. “Zouden er voordat de eventuele veroordeling is uitgesproken, beeldopnames worden verspreid waaruit valt af te leiden wie de verdachte is, dan wordt vooruitgelopen op de uitspraak. Wanneer de betrokkene uiteindelijk door de rechter zou worden vrijgesproken, dan kan hij door de beelden waarop hij herkenbaar is in de media inmiddels al ‘publiekelijk veroordeeld’ zijn”, aldus de richtlijn. Om degenen buiten de rechtszaal toch een kijkje te kunnen geven van hetgeen in de rechtszaal gebeurt, is het wel toegestaan om tekeningen van de verdachten te maken.


In de richtlijn wordt er blijkbaar vanuit gegaan dat alleen op basis van beeldopnamen valt af te leiden wie de verdachte is, maar hiermee wordt de realistische weergave van de rechtbanktekeningen miskent. Op de tekeningen van het Passageproces zal namelijk ieder mens zien dat Willem Holleeder erop staat afgebeeld.


Bescherming van de privacy door de Auteurswet


Nu naar mijn mening niet valt te ontkennen dat verdachten herkenbaar worden afgebeeld op de rechtbanktekeningen, is er sprake van een portret in de zin van artikel 21 Auteurswet. Het artikel, waarin het zogenoemde portretrecht is vervat, luidt als volgt:


“Is een portret vervaardigd zonder daartoe strekkende opdracht, den maker door of vanwege den geportretteerde, of te diens behoeve, gegeven, dan is openbaarmaking daarvan door dengene, wien het auteursrecht daarop toekomt, niet geoorloofd, voor zoover een redelijk belang van den geportretteerde of, na zijn overlijden, van een zijner nabestaanden zich tegen de openbaarmaking verzet.”


Na ontcijfering van de ouderwetse formulering wordt duidelijk dat de geportretteerde een redelijk belang moet hebben dat zich tegen de publicatie van het portret verzet. Het belang van de verdachte bij de publicatie van een rechtbanktekening zou, gezien de identificerende aard ervan, gelijk getrokken kunnen worden met het belang van de verdachte bij de verspreiding van beeldopnames, zoals vermeld in de Persrichtlijn van de Rechtspraak.


Bescherming van de privacy door de Raad voor de Journalistiek


Het belang van de privacy van verdachten is gelegen in het feit dat de rechtbanktekeningen massaal worden gedeeld door nieuwsmedia en worden afgebeeld op de voorpagina’s van kranten. In de Leidraad van de Raad van de Journalistiek wordt beschreven hoe dient te worden omgegaan met berichtgeving over verdachten in strafzaken. In tegenstelling tot het redelijke belang van artikel 21 Auteurswet, volgt uit de Leidraad dat de publicatie noodzakelijk moet zijn. Daarnaast moet een afweging worden gemaakt tussen de privacy van verdachten en het maatschappelijke belang van de publicatie. Hiermee wordt het recht op de vrijheid van meningsuiting beperkt.


“In een publicatie mag de privacy van personen niet verder worden aangetast dan in het kader van de berichtgeving redelijkerwijs noodzakelijk is. Een inbreuk op de privacy is onzorgvuldig wanneer deze niet in redelijke verhouding staat tot het maatschappelijk belang van de publicatie.”


Opmerkelijk genoeg wordt tevens het volgende vermeld:


“Journalisten dienen te voorkomen dat informatie of beelden worden gepubliceerd waardoor verdachten en veroordeelden door het grote publiek eenvoudig kunnen worden geïdentificeerd en getraceerd.”


Op deze regel bestaan enkele uitzonderingen, maar die hebben enkel betrekking op het vermelden van de naam van verdachten en dus niet op het tonen van het portret van verdachten. De rechtbanktekeningen zijn in sommige gevallen bijna niet te onderscheiden van foto’s. Dat verdachten op deze tekeningen door het grote publiek eenvoudig kunnen worden geïdentificeerd, is dan ook geen onderwerp van discussie.


Botsing van grondrechten


Het is duidelijk dat er verschillende grondrechten gemoeid zijn bij de rechtbanktekeningen. Op het moment dat de tekeningen worden verspreid, wordt er inbreuk gemaakt op de privacy van de verdachte. Daarnaast moet niet vergeten worden dat die tekeningen voor altijd op het internet te vinden zijn. Zelfs nadat de verdachte is vrijgesproken, zal hij gelinkt worden aan de tekening wat de resocialisatie kan belemmeren.


Het recht op de vrijheid van meningsuiting staat haaks op het recht op privacy. Het verschaffen van informatie over strafrechtelijke procedures is een belangrijke functie van de media. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan het publieke debat, maar in hoeverre dragen de rechtbanktekeningen hieraan bij? Het publiek wil graag een beeld bij een strafrechtelijke procedure, maar het is naar mijn mening niet noodzakelijk voor het publieke debat. Het publieke debat gaat immers over de feiten van de zaak en niet over het uiterlijk van de verdachte. Het gebruik van rechtbanktekeningen is destijds ontstaan om de privacy van verdachten te beschermen, maar wordt de privacy hier daadwerkelijk door beschermd of werkt dit juist averechts?