• Thamar Sikkes

Identiteitsbewijs opsturen om vertrouwen te wekken op Marktplaats? Doe het niet!

De toenemende digitalisering van de samenleving en online transacties zorgen ervoor dat online identiteitsfraude, een vorm van cybercrime, een steeds groter probleem in onze samenleving wordt. Hoe alert we namelijk zelf ook denken te zijn, we trappen toch nog vaak in zulk soort ‘geintjes’. Het Centraal Meldpunt Identiteitsfraude en -fouten (CMI) heeft het aantal meldingen van identiteitsfraude zien verdubbelen naar bijna 3000 in 2017. En dan nog te bedenken dat waarschijnlijk een groot deel van de mensen niet eens melding doet (onder het mom van: ‘het heeft toch geen zin’).


Vertrouwen wekken

Fraudeurs vinden steeds slimmere manieren om mensen op te lichten, bijvoorbeeld door vertrouwen te wekken met het opsturen van een identiteitsbewijs. In een zaak waar een fraudeur door de rechter is veroordeeld bijvoorbeeld werd door de fraudeur het vertrouwen bij zijn kopers gewekt door het versturen van een identiteitsbewijs via WhatsApp als borgstelling. Een identiteitsbewijs versturen als borgstelling lijkt op zich nog niet zo gek. Het identiteitsbewijs was echter niet van hemzelf, maar van een verkoper van een product (via Marktplaats) aan deze fraudeur. Hij heeft dit identiteitsbewijs verkregen door tegen die verkoper te zeggen dat hij wantrouwend is en graag zekerheid wil. De verkoper is daar op ingegaan (want ja: je wilt toch gewoon je spullen verkopen?) en heeft zijn identiteitsbewijs gestuurd, welke de fraudeur vervolgens weer kon gebruiken voor andere oplichtings-doeleinden. Deze fraudeur is (slechts) veroordeeld tot een schadevergoeding.


Strafbaarstelling identiteitsfraude

In 2013 is art. 231b in het Wetboek van Strafrecht geïntroduceerd, wat bepaalt dat het opzettelijk of wederrechtelijk gebruik maken van identificerende persoonsgegevens van een ander strafbaar is indien je deze gebruikt met het oogmerk om je eigen identiteit te verhelen of de identiteit van de ander te verhelen of te misbruiken, waardoor er enig nadeel kan ontstaan.


Aantonen van misbruik

Wat opmerkelijk is in bovengenoemde zaak, is dat de raadsman van de fraudeur stelt dat het niet ongebruikelijk is dat personen op internet een andere naam gebruiken. Er kan volgens hem dan ook niet worden gesteld dat het enkele gebruik van een valse naam de wederpartij heeft bewogen tot betaling aan verdachte. De rechter (en ik ook) is het daar niet mee eens en misbruik is hier redelijk gemakkelijk aangetoond.


Reputatieschade op Instagram

Uit een andere zaak blijkt dat het gebruik van een Instagramaccount van iemand ook misbruik en daarmee identiteitsfraude kan opleveren. De hoeveelheid zoekresultaten die op Google verschijnen bij de zoekterm ‘misbruik instagram account’ (2.640.000 resultaten in 0,45 seconden!) tonen dat ook dit een veel voorkomend iets is. Aan het 'enig nadeel met zich mee brengen'-criterium is in deze zaak voldaan omdat de rechter stelt dat de slachtoffers veel hinder hebben ondervonden. Het oordeel van de rechter dat er sprake is van misbruik van identificerende persoonsgegevens die enig nadeel hebben toegebracht is naar mijns inziens juist, al had de rechter naar mijn mening uitgebreider kunnen beargumenteren waaruit dit nadeel precies bestond. Dat zou wellicht meer openingen bieden voor mensen om daadwerkelijk actie te ondernemen.


Een interessante vraag is of misbruik ook het geval zou kunnen zijn als er onder mijn naam haatdragende reacties worden geplaatst onder Tweets van politici? Het misbruikbegrip lijkt dan gecompliceerder te worden.


Wederzijds vertrouwen is belangrijk

Terug naar Marktplaats. Een belangrijke overweging van rechters ziet op ‘vertrouwen’, wat natuurlijk geen statisch gegeven is. Het principe van Marktplaats is mede gebaseerd op het wederzijds vertrouwen tussen koper en verkoper en kan alleen op basis van dit onderling vertrouwen functioneren. Fraudeurs hebben met hun handelen schade aan dit vertrouwen en financiële schade aan de slachtoffers toegebracht, aldus de rechter.


De ontwikkeling dat identiteitsfraude afzonderlijk strafbaar gesteld is en dat rechters in hun beoordeling nu ook het vertrouwen dat in het algemeen nodig is om online dienstverlening mogelijk te maken meenemen is mijns inziens een positieve (en noodzakelijke) ontwikkeling.