• Maudy Luhulima

De naam van hoogleraar B.: een mijnenveld van een #MeToo-zaak

Enige tijd geleden plaatste de NRC een uitgebreid artikel over het jarenlange grensoverschrijdende gedrag door B., hoogleraar arbeidsrecht aan de UvA en - wat van zwaarwichtig belang is - hoe dit al die tijd op de universiteit heeft kunnen gebeuren. Bovengenoemd artikel heeft geleid tot een kort geding met een vonnis dat onder andere door de NRC als verstrekkend voor de journalistiek wordt gezien. De naam van de hoogleraar mag niet worden genoemd, de vakgroep Arbeidsrecht aan de UvA wel. In deze blog zal ik het vonnis bespreken.


Botsing van fundamentele rechten

Bij een zaak als deze gaat het om een botsing van twee fundamentele rechten. In dit geval het recht op vrijheid van meningsuiting van NRC tegenover het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de hoogleraar. Omdat er geen rangorde tussen beide rechten bestaat, dient er een belangenafweging te worden gemaakt waarbij alle omstandigheden van het geval worden meegenomen.


Van belang wordt geacht dat het artikel van NRC bijdraagt aan het publiek debat, namelijk in het kader van #MeToo. Daarbij is B. volgens de rechtbank aan te merken als ‘public figure’, omdat hij tot voor kort namelijk niet alleen hoogleraar en hoofd van de vakgroep was, maar ook plaatsvervangend raadsheer van het Gerechtshof Amsterdam. Hij oefende hiermee dus publieke functies uit. Een logisch oordeel, want het handelen van B. (ook buiten de rechtszaal en de universiteit) kan invloed hebben op het aanzien van voornoemde functies. Voor publieke figuren geldt dat zij meer te dulden hebben als het om hun privacy gaat dan iemand zonder een publieke functie. Ook is het gedrag van de hoogleraar - uitgaande van de juistheid van een groot deel van de feiten - zodanig geweest dat NRC het ‘grensoverschrijdend gedrag’ heeft mogen noemen en dat hierover wordt gepubliceerd.


Ondanks het bovenstaande meent de rechtbank toch dat in de gegeven omstandigheden het onvoldoende is om de hoogleraar met volledige naam in het artikel te vermelden. Voor het #MeToo-debat wordt het niet noodzakelijk geacht dat de naam van de hoogleraar wordt genoemd. Binnen de eigen professionele kringen zal vrijwel iedereen van deze zaak op de hoogte zijn. Het noemen van de naam van de hoogleraar zou een verdergaande inbreuk op zijn privacy (en die van zijn gezin) opleveren die niet te rechtvaardigen zou zijn. Het professionele leven van B. leidt al genoeg door wat er is gebeurd, maar dit hoeft niet ook in zijn privéleven, aldus de rechtbank.


Streisandeffect

Het kort geding van hoogleraar B. heeft geleid tot een typisch geval van het Streisandeffect: in 2003 werd een luchtfoto van de woning van Barbra Streisand op een fotosite getoond. Streisand begon een rechtszaak, omdat ze de afbeelding als een inbreuk op haar privacy zag. Hiermee bereikte ze juist het tegenovergestelde van wat ze wilde bereiken. In plaats van het verbergen van deze foto, kreeg de zaak veel aandacht van de media en binnen een maand hadden bijna een half miljoen mensen de foto van de woning bekeken. De term ‘Streisandeffect’ was geboren.


Je hoeft weinig moeite te doen om achter de naam van hoogleraar B. te komen. Op de dag dat het artikel van de NRC verscheen was de zoekterm ‘hoogleraar arbeidsrecht UvA’ trending op Google en wanneer je – ook vandaag nog – ‘hoogleraar’ intikt bij Google, dan zul je zien dat van de tien suggesties die Google geeft, zes daarvan gericht zijn op B. Onbedoeld is door de uitspraak juist meer aandacht op de naam van de hoogleraar gevestigd.


Hoger beroep

NRC gaat tegen deze uitspraak in beroep, omdat het een journalistieke taak is om misstanden aan de kaak te stellen. ‘Het niet langer mogen publiceren van namen bij ernstige misstanden heeft vergaande journalistieke consequenties die het belang van deze zaak overstijgen’, aldus NRC. Deze uitspraak zou inderdaad kunnen leiden tot een beperking van de vrijheid van meningsuiting - de media was in principe vrij om namen te publiceren wanneer dit nodig werd geacht - en het is ook mogelijk dat er een zwijgcultuur omtrent dit soort misstanden zou kunnen ontstaan.


Het is lastig wat nou allemaal wel moet kunnen worden gepubliceerd met betrekking tot #MeToo-zaken en wat niet. Jeanne-Pierre Geelen (ombudsman bij de Volkskrant) slaat in dit verband de spijker op z’n kop: ‘Met betrekking tot #MeToo hebben ‘verdachten’ in de media minder rechten dan de gemiddelde moordenaar, die bij verdenking en veroordeling met initialen wordt aangeduid.’ Dit betekent ook zeker niet dat we medelijden moeten hebben met hoogleraar B. De media zou echter wel in overweging moeten nemen of het nou echt nodig is om B.’s volledige naam te noemen (het bovengenoemde citaat in gedachten houdende), of zijn naam echt nodig is om het nalatig handelen van de UvA aan de kaak te stellen en of B. niet al genoeg op de blaren moet zitten. Het lijkt mij onaannemelijk dat deze man nog werk zal vinden in de wetenschap of bij de rechterlijke macht, omdat dit nieuws toch al bekend was of zou worden in zijn professionele kringen. Hem compleet aan de schandpaal nagelen door zijn naam te noemen, lijkt me dan ook onnodig.


Het is inderdaad de taak van de journalistiek om misstanden aan de kaak te stellen, maar het is niet de taak van de journalistiek om een heksenjacht te openen. Of B. een tweede kans verdient, hangt af van het oordeel van het gerechtshof.